Syrène Saxofoonkwartet

De klankkleur van de saxofoon wordt meestal geassocieerd met jazz, maar menig luisteraar valt in verbazing wanneer hij ontdekt dat Adolphe Sax rond 1840 zijn serie saxofoons heeft uitgevonden voor de klassieke muziek, namelijk om in het reeds bestaande symfonieorkest een brug te slaan tussen het koper en de houtblaasinstrumenten. Dit bleek echter een brug te ver, maar gelukkig heeft de saxofoon – een aantal toevallige glansrollen in het symfonieorkest daargelaten – zich ruim weten te ontwikkelen in de Franse kamermuziek.

Met hun programma Ton sur ton brengen de dames van het Syrène Saxofoonkwartet hun geliefde Franse repertoire ten gehore en kleuren hiermee niet alleen binnen de lijntjes, maar bewijzen dat de verfijndheid en stijl die kenmerkend zijn voor de Franse kamermuziek, zelfs in een bewerking prachtig combineert met de vier saxofoons.

In 1928 richtte de Franse saxofoonpionier Marcel Mule zijn Quatuor de Saxophones de la Garde Réplublicaine op, dat met zijn innovatieve, virtuose en expressieve samenspel spoedig de aandacht trok van Franse componisten. Florent Schmitt, Gabriel Pierné en Eugène Bozza schreven allen in opdracht van Mules kwartet en leverden hiermee – ondanks het feit dat zijzelf in de schaduw stonden van de meest vooraanstaande componisten van hun tijd – belangrijke, individualistische bijdragen aan het repertoire voor saxofoonkwartet. Bozza’s wonderbaarlijke melodieën, Schmitt’s virtuositeit en Pierné’s elegantie zijn de saxofoon op het gouden lijf geschreven, een enorm palet aan op elkaar afgestemde klankkleuren. Maar soms valt er wat materiaal uit de toon. Het strijkkwartet van Debussy in g mineur wordt vanwege avant-gardistische klanken gezien als keerpunt in de geschiedenis van de kamermuziek. In dit programma gespeeld door vier saxofoons.

Het Syrène Saxofoonkwartet werd als eerste blazersensemble aangenomen op de NederlandseStrijkkwartet Academie, waar het zich o.l.v violist Marc Danel heeft gespecialiseerd in het spelen van strijkkwartetten. De ontwikkeling van de Franse kamermuziek en die van de saxofoon vonden naast elkaar plaats, maar hier ontmoeten ze elkaar. Een samensmelting van klankkleur, virtuositeit en sierlijkheid.

Gabriel Pierné (1863-1937) – Introduction et variations sur une ronde populaire (1924)

Pierre Vellones (1889-1939) – Valse chromatique (1931)

Florent Schmitt (1870-1958) – Quatuor op. 102 (1948)
I. Avec une sage décision (mouvement de fuge ou presque)
II. Assez lent
III. Vif

Eugène Bozza (1905-1991) – Andante et Scherzo (1938)

Claude Debussy (1862-1918) – Quatuor à cordes en sol mineur Op.10 (1893)
arr. Johan van der Linden
l. Animé et très décidé
II. Assez vif et bien rythmé
III. Andantino, doucement expressif
IV. Très modéré – En animant peu à peu – Très mouvementé et avec passion